De onzekerheidsrelatie

Je kunt nooit tegelijk de exacte plaats en de exacte impuls van een object weten — hoe nauwkeuriger je vastpint waar iets is, hoe minder nauwkeurig je kunt weten hoe het beweegt, en andersom. Dat is niet omdat onze instrumenten onhandig zijn; het is een fundamentele limiet die in de natuur zelf is ingebouwd, en hij wordt alleen merkbaar voor zeer kleine deeltjes zoals elektronen.

Δx · Δp ≥ ℏ / 2

  • Δx — positieonzekerheid (m): hoe verspreid de mogelijke plaatsen van het elektron zijn
  • Δp — impulsonzekerheid (kg·m/s): hoe verspreid de mogelijke impulswaarden van het elektron zijn
  • ℏ — gereduceerde Planckconstante (J·s): een piepklein vast getal, ongeveer 1 × 10⁻³⁴, dat de onzekerheidslimiet van de natuur vastlegt

Een elektron is opgesloten in een doos van 1 × 10⁻¹⁰ meter breed — ongeveer het formaat van een atoom. Wat is de kleinst mogelijke onzekerheid in zijn impuls?

  • Δx = 1 × 10⁻¹⁰ m
  • ℏ = 1 × 10⁻³⁴ J·s
  1. Δp ≥ ℏ / (2 · Δx)
  2. Δp ≥ (1 × 10⁻³⁴ J·s) / (2 × 1 × 10⁻¹⁰ m)

Δp ≥ 5 × 10⁻²⁵ kg·m/s

Probeer de interactieve simulatie