De tweede wet van Newton
Als een nettokracht op een voorwerp duwt, versnelt het voorwerp — het gaat sneller, langzamer of verandert van richting. Hoe groter de kracht, hoe groter de versnelling; hoe massiever het voorwerp, hoe kleiner de versnelling.
F = m · a
- F — kracht (N): de netto duw of trek die op het voorwerp werkt
- m — massa (kg): hoeveel materie het voorwerp heeft — zijn weerstand tegen versneld worden
- a — versnelling (m/s²): hoe snel de snelheid van het voorwerp elke seconde verandert
Een karretje van 2 kg op een wrijvingsloze vloer wordt geduwd met een constante kracht van 8 N. Hoe snel neemt zijn snelheid toe?
- m = 2 kg
- F = 8 N
- a = F / m
- a = 8 N / 2 kg
a = 4 m/s²